Over de grens van de ethiek: Stefan Zweig
Vele jaren geleden las ik het boek 'Die Auge des Eewigen Bruders' van de Duitse schrijver Stefan Zweig. Ik vertel dit indringende verhaal zoals ik het onthouden heb. Het is een verhaal over het menselijke tekort, het gevolg van ons incarneren en de grens van de ethiek.
Lang geleden leefde er een grote krijger genaamd Virata. Hij was de beste krijger van zijn tijd. Bij een geslaagde plundertocht vermoorde hij per ongeluk zijn eigen broer. De blik in zijn broers ogen, vlak voor het moment dat hij stierf, liet hem niet meer los en Virata besloot een leven te gaan leiden zonder schuld. Zo werd hij opperrechter. En hij was de beste opperrechter van zijn tijd, die altijd een nacht lang nadacht over zijn oordeel en uiterst zorgvuldig en rechtvaardig te werk ging. Maar op een dag vroeg een gevangen genomen moordenaar die voor Virata terecht stond: 'Wie ben jij om mij te veroordelen? Welke grond heb je om mij te veroordelen? Heb jij wel eens iemand vermoord? Heb jij wel eens gevangen gezeten?' Het zijn vragen die de kern van de ethiek raken. Virata veroordeelde de man tot gezeling en elf jaar gevangenstraf in een ondergrondse kerker. Maar 's nachts bracht hij de moordenaar een bezoek en vertelde hem dat diens vraag hem niet losliet en dat hij voor een maand zijn plaats zou willen innemen. Hij liet de moordenaar zweren dat hij na een maand zou terugkeren en ging vervolgens in de moordenaars plaats in de ondergrondse kerker zitten. De eerste veertien dagen ging het niet slecht. Maar de vijftiende dag begon Virate te twijfelen. Zou de moordenaar zich aan zijn gelofte houden? Hij twijfelde meer en meer en werd bijna gek van twijfel en onzekerheid. Gelukkig hield de moordenaar zijn woord en was Virata na een maand weer een vrij man. Hij legde zijn functie als opperrechter neer, omdat hij nu wist wat hij anderen aandeed.
Virata trok zich nu terug als kluizenaar in het woud, om daar een 'leven zonder schuld' te gaan leiden. En hij leefde voor een tijd tevreden in het bos, zonder bezittingen, zonder functie, zonder een levend wezen kwaad te berokken, zo dacht hij. Maar op een gegeven dag zag hij een kinderlijkje langs de weg liggen. En even later nog een. En daarna nog een derde. Hij zag een wenende vrouw, die woedend werd toen ze Virata zag komen aanwandelen. Ze vertelde hem dat haar man een succesvolle wever was. Maar toen hij net als velen het voorbeeld van Virata ging volgen, zijn baan opzegde en zonder bezittingen zich in het woud had teruggetrokken, stierven haar kinderen van de honger. 'Kijk', sprak ze tegen Virata, 'daar ligt het lijkje van mijn derde kind. Ze zijn allen gestorven door jouw schuld!'
Virata was nu ten einde raad. Hij wist niet meer wat hij nog moest doen om een leven zonder schuld te kunnen leiden. Hij ging naar de koning en zei: 'Er staat mij nog maar een ding te doen en dat is mijn wil op te geven en u te vragen wat ik voor u kan doen.' De koning was verbijsterd. Eerst was Virata de beste krijger van zijn volk, daarna de beste opperrechter, toen de grootste heilige en nu dit! Cynisch zei hij: 'Virata, je mag de oppasser van mijn honden zijn.' En zo geschiedde. Virata werd de oppasser van de konings honden, door iedereen veracht en bespot. Hij werd zelfs door de koning geslagen, toen een van diens honden naar hem blafte. Toen de koning overleed en er een nieuwe koning aantrad, wist hij niet wat hij met deze hondenoppasser aanmoest. En toen Virata overleed, kende niemand hem en werd zijn naam in geen geschrift vermeld.
