Zen en ethiek
In absolute zin heeft zen niets met ethiek te maken. Vanuit het absolute perspectief gezien - vanuit de onbepaaldheid van de ervaring - is er geen slachtoffer, geen dader en geen daad. Er is alleen maar dit: dit precies zoals het is, zo, open, onbepaald en ononderscheiden. Als er geen daad is, dan is er ook geen ethiek.
In relatieve zin echter, daar waar het onbepaalde incarneert, wordt bepaald, het ongeborene vlees wordt en het alomvattende door karma wordt beperkt, is er wel degelijk sprake van ethiek. Deze ethiek is gebaseerd op de ervaring dat mijn leven niet is onderscheiden van alle leven en dat niets is uitgesloten. Om deze ervaring ook in de weerbarstigheid van het vlees en onder de dwang van karma te ondersteunen en tot uitdrukking te laten komen, hebben we de hulp nodig van voorschriften, voornemens of intenties.
Omdat het ongeborene vlees is en het onbepaalde door en door is geconditioneerd, heeft ethiek alles met zen te maken, aangezien ze de incarnatie van het alomvattende feitelijk ondersteunt. Ethiek verwezenlijkt de paradox die mijn leven is. Ze helpt het goddelijke zich in mijn vlees te manifesteren. Ze geeft me richtlijnen om werkelijk mezelf te worden, een mens, een bodhisattva, een padadoxaal dubbelwezen. Ethiek is de dietetiek van de incarnatie van alomvattende aanwezigheid. Ze verschaft geen categorisch imperatief, maar ze betreft een intentie die ik eindeloos in praktijk tracht te brengen.
