Izen intensive 2026
We leven in verglijdende tijden. Tijden van grote onzekerheid: onzekerheid over het klimaat, onzekerheid over onze democratie en rechtstaat, onzekerheid over vrede en oorlog. We willen niet wegkijken: wegkijken van ons onvermogen om ons eigen aandeel in de klimaatverandering aan te pakken, wegkijken van het uitmoorden van onschuldige burgers, wegkijken van harteloze, polariserende politiek. Maar als we niet wegkijken, hoe gaan we dan om met het onverteerbare dat we zien? Deze intensive gaat over hoe wakker te blijven, over hoop, liefde en troost en over wat te doen in deze verglijdende tijden.
Ten eerste, wat is Boeddha-natuur?
De Vuurrede
Aldus heb ik gehoord. Eens was de Boeddha in Gayasisa in Gaya, samen met duizend bhikhu’s. Hij wendde zich tot hen en sprak:
Bhikhu’s, brandend, brandend, brandend. Wat betekent het dat alles brandt?
Bhikhu’s, het oog brandt, zichtbare vormen branden, het gewaarzijn daarvan brandt, gezichtsindrukken branden, en elke aangename, onaangename en noch-aangename-noch-onaangename gewaarwording verkregen vanuit gezichtsindrukken brandt. Brandt door wat? Brandt door het vuur van tanha (krampachtig willen, begeren), brandt door het vuur van haat, brandt door het vuur van onwetendheid; ik zeg dat het brandt door geboorte, ouderdom en dood, door zorgen weeklagen, pijn, smart en wanhoop.
Het oor brandt, geluiden branden (…), de neus brandt, geuren branden (…), de tong brandt, smaken branden (…), het lijf brandt, tastbare objecten branden (…), de geest brandt, gedachten branden, het gewaarzijn daarvan brandt. Brandt door wat? Brandt door het vuur van tanha (krampachtig willen, begeren), brandt door het vuur van haat, brandt door het vuur van onwetendheid; ik zeg dat het brandt door geboorte, ouderdom en dood, door zorgen weeklagen, pijn, smart en wanhoop.
Bhikhu’s, wanneer je de dingen zo ziet, is er geen begeerte met betrekking tot het oog en zichtbare vormen, tot het oor en geluiden, tot de neus en geuren, tot de tong en smaken, tot het lijf en tastbare dingen, tot de geest en gedachten.
Omdat je zonder begeerte bent, raakt je onthecht; door onthechting word je bevrijd. Wanneer je bevrijd bent, weet je dat je bevrijd bent, en je weet: er is geen geboorte meer, het leven is geleefd, wat gedaan moet worden is gedaan, er hoeft niets meer gedaan te worden.
Adittapariyaya-sutta uit de Samyutta Nikaya, 35: 28
De Zeven Zonnen
Er komt een tijd, O bhikhu’s, waarin na honderd duizenden jaren het stopt met regenen. Alle zaden, alle vegetatie, alle planten, grassen en bomen verdrogen en sterven uit.
Een tweede zon zal alle beekjes en vijvers doen opdrogen. Een derde zon zal rivieren laten opdrogen, een vierde zon de meren en een vijfde zon de oceanen. Een zesde zon zal de aarde bakken zoals een pot door een pottenbakker wordt gebakken. En wanneer de zevende en laatste zon verschijnt, zal de aarde vuurzeeën kennen, tot ze een massieve vlam is geworden. Zo eindig zijn de samengestelde dingen, zo onstabiel en onbetrouwbaar.
Angutarra Nikaya
Alles is tijdelijk, fundamenteel onzeker, niets is vanzelfsprekend, dat geldt ook voor onze Westerse democratie!
Het sacrale in de twintigste eeuw
Eigenlijk is het paradoxaal en vooral heel moeilijk om over het heilige te spreken in een tijd waarin er welbeschouwd slechts een ondergeschikte, haast nietszeggende plaats voor is overgebleven in het gemeenschapsleven van de mens. Vroeger was het gebruikelijk om op kruispunten, straathoeken of pleinen heilige tekens te plaatsen, bijvoorbeeld een kruis. Wij echter brengen op diezelfde plaatsen voornamelijk wegwijzers voor toeristen of reclameborden aan. Nog voor kort bouwde men heiligdommen, waarbinnen we nu nog sterk het heilige ervaren. Maar de kerken die in onze dagen gebouwd zijn, verschaffen zo’n gewaarwording totaal niet meer. Vergeleken met die van de Middeleeuwen lijken ze iets te missen. De hedendaagse architecten bouwen banken, warenhuizen, opslagplaatsen en woonblokken; binnen deze grenzen zijn zij in hun element. Wanneer het gaat om een kerk – en een kerk is niets minder dan een heilige plaats – dan beschikken ze niet meer over de vereiste geestesgesteldheid.
Georges Bataille, Le sacre au XXe siecle
Hoe kan ik me tot dat wat al mijn grenzen te buiten gaat (het sacrale, ‘de buitenplaats’) verhouden?
Ten tweede, het verteren van het onverteerbare
Wakend in de nacht kan ik in contact komen met iets in mij dat alles doorstaat wanneer mijn leven een open wond is, een grondeloze basis die mijn bestaan draagt wanneer het alle grond heeft verloren. Als ik meer vanuit dit vertrouwen leef, ben ik in staat het onverteerbare meer in mijn bewuste leven toe te laten en beter te zien wat ik ermee doe. Dat het niet gemakkelijk is om onze ogen open te houden in de nachten van ons bestaan, illustreert het verhaal van hof van Olijven uit het Nieuwe Testament. Christus wist dat Judas hem zou verraden en vroeg zijn leerlingen Petrus, Jakobus en Johannes die nacht vóór zijn verraad met hem te waken. Ofschoon – of beter gezegd omdàt – zijn leerlingen wisten wat er zou gebeuren vielen ze, terwijl Christus bad in slaap. Christus zei tot Petrus: `Simon, slaap je? Gaat het dan je krachten te boven één uur te waken?’ Zo verliet Christus zijn leerlingen die nacht nog twee maal om te bidden en vond hij twee maal bij zijn terugkomst zijn leerlingen in slaap.
De intentie hebben om wakker te blijven betekent de intentie hebben om aan te gaan wat het leven mij aandoet. Dit is niet hetzelfde als mijzelf neerleggen bij wat er gebeurt. Ik zal mij nog steeds met hand en tand verzetten, ik zal nog steeds huilen, wanhopen en ontkennen, maar ik zal hierin aanwezig zijn.
Waken in de nacht is aanwezig zijn bij wat zich aandient, ook als ik de enige die ik liefheb moet aanbieden, wetend dat alles verloren is, smekend, blind, halfdood. Ben ik bereid te gaan zoals Abraham, in de vroege, stille ochtend op weg naar de offerplek? Wat zou er door zijn hoofd zijn gegaan? Was hij alleen gefocust op wat er zou gebeuren? Was hij misserlijk van angst? Voelde hij zich licht in zijn hoofd, slap in zijn benen, beefden zijn handen? Wist Abraham wat hij deed? Hij wist het, hij moet het geweten hebben, het moet hem glashelder voor ogen hebben gestaan. Toch moet hij het heel dicht en stil bij zichzelf hebben gehouden, zo stel ik mij voor. Hij verteerde.
Dàt was Abrahams offer.
Het gaat in overgave niet louter om een uw wil geschiede'. Hetuw wil geschiede’ alléén kan een manier zijn om niets aan te gaan, niets te verteren en mijzelf hiermee te behouden. Ik leg mij dan bij voorbaat neer bij wat het leven mij aandoet, zeg met een genereus gebaar `uw wil geschiede’ en val in slaap. Hiermee geef ik geen antwoord op wat mij aangaat. Ik geef het verlies waartegen ik mij verzet niet terug aan mijzelf. Ik onthoud het mijzelf, ik stop het weg en tracht te overleven.
Het verteren van het onverteerbare is mijzelf verteren en daarbij wakker blijven. Alleen als ik wakker blijf kan ik mijzelf werkelijk aanbieden – mijn strijd, mijn verdriet, mijn angst, mijn hoop en mijn wanhoop – en ondergaan wat er dan gebeurt. Hierin kan het vertrouwen in het proces dat ik doormaak groeien en het verlies een plaats krijgen in mijn leven. Alleen hierin verhoud ik mij tot datgene waartoe ik mij niet kàn verhouden en dat mij zelfs in mijn volle besef nog ontgaat, dit onbegrijpelijke en onbeheersbare verlies.
De lengte van de verplichte rust kan bepalend zijn voor de diepte van het inzicht in onszelf. Nietzsche en Bataille kunnen hierover meepraten. De helft van zijn productieve leven heeft Nietzsche geveld door zware migraine met de gordijnen gesloten op bed gelegen. Hij was nauwelijks bij machte om te slapen en het was hem niet gegund om te dagdromen. Hij lag daar maar te staren in de duisternis, zijn lichaam verzwakt door het voortdurende braken, zijn hoofd bonkend alsof het zou breken. Deze letterlijk duistere perioden moeten zijn inzicht hebben verdiept. In het maatschappelijke isolement van zijn ziekte en door zijn fysieke onvermogen ging hij zijn geestelijke pad. Teruggeworpen op zijn geteisterde lichaam moet hij als geen ander hebben geweten dat, elk geloof, elk idealisme en elke redelijke vooronderstelling ten spijt, dit lichaam het enige is wat er toe doet.
Met zijn lichaam als uitgangspunt voerde zijn eenzame reis hem door zijn niet-kunnen en zijn niet-weten heen naar zijn vrijheid om geldende waarden en waarheden op het spel te zetten en nieuwe waarden en waarheden te creëren. De eerlijkheid van een ziek lichaam verzet zich tegen de conventies van de geest. De gestigmatiseerde patiënt staat op en spreekt tot ons onder de naam van de profeet Zarathustra met een kracht en een onbevangenheid die we van een zieke niet snel zouden verwachten:`Wil jij de weg naar jezelf zoeken?… Welke is de weg tot je zelf? Toon mij dan je recht en je kracht daartoe! Ben je een nieuwe kracht en een nieuw recht? Een eerste beweging? Een uit zichzelf rollend rad? Kun je ook de sterren dwingen dat ze om jou draaien?… Vrij noem jij je? Je heersende gedachte wil ik horen en niet dat je aan een juk bent ontsnapt… Vrij waarvan? Wat kan Zarathustra dat nou schelen! Helder echter moet mij je blik zeggen: vrij waartoe? Kun jij jezelf je kwaad en goed geven en je wil boven je hangen als een wet? Kun jij de rechter en wreker zijn van deze wet?’
Zou Nietzsche dit ook hebben kunnen zeggen wanneer zijn bestaan niet, in de duistere perioden van zijn ziekte tot bijna niets was gereduceerd?
Wie waakzaam door de nacht reist, de woestijngang wakker aflegt, krijgt de mogelijkheid zijn bestaan in een totaal ander licht te zien. De realisatie dat dit alles is wat er is, betekent dat ik mijn leven kan gaan leiden als Abraham. Ik bied mij aan, in toewijding aan de concrete situatie waarmee ik nu te maken heb. Ik bied mij aan in toewijding aan de mensen die ik nu ontmoet. Ik bied mij aan in toewijding aan wat ik nu te doen heb. Dit is nirvana.
Iets anders dan deze toewijding is er niet: er is niets te doen. Er zijn zelfs geen spirituele oefeningen te beoefenen, want wat valt er te beoefenen, wie is er te bevrijden, wat is er te verhelderen? Ik leef en bied mij aan omdat ik niet anders kàn dan mijzelf aanbieden. Het is zo simpel:Abraham', zei de Eeuwige. En Abraham antwoordde:Hier ben ik’.
Maurice Knegtel, De vrijheid om te verliezen, blz. 92 – 95 en 100 – 101 en 116 – 117.
Rumi: ‘We moeten onze aandacht gericht houden op de wond, omdat daar juist het Licht binnenkomt.’
Wibe Veenbaas: ‘De zin van al wat bestaat, is de pijn van de wond die niet overgaat.’
Ten derde, en toch...
Het Groot Prajna Paramita Hart Soetra
Nadat Avalokitesvara de stroom van prajna-paramita was binnen gegaan werd de
bodhisattva bewogen de vijf skandha’s te zien en te zien dat zij zonder eigen bestaan waren.
Hier, Shariputra, is vorm leegte, leegte vorm; vorm is niet te scheiden van
leegte, leegte is niet te scheiden van vorm; al wat vorm heeft, is leegte; al wat leegte is, heeft vorm; en zo ook sensaties, gedachten, drijfveren en gewaarzijn. Hier,
Shariputra, zijn alle dharma’s gekenmerkt door leegte, niet voortgebracht, niet ongedaan te maken, noch onzuiver, noch zuiver, noch onvolmaakt, noch volmaakt.
Daarom Shariputra, in leegte is geen vorm, geen sensatie, geen gedachte, geen drijfveer en geen gewaarzijn; geen oog, oor, neus, tong, lichaam en denkorgaan; geen vorm, klank, geur, smaak, aanrakingspunten en gedachteobjecten; geen veld van waarneming enzovoort, tot geen veld van geestelijke activiteit. Geen onwetendheid, geen einde aan onwetendheid enzovoort, tot geen ouderdom en dood en geen einde aan ouderdom en dood. Geen lijden, geen oorzaak, geen opheffing, geen weg; geen inzicht, geen bereiken en geen niet-bereiken.
Daarom, Shariputra, in de staat van niet-bereiken, gesteund door prajna-paramita,
verblijft de bodhisattva zonder verduistering van geest. Zonder verduistering van geest is de bodhisattva niet bevreesd, overwint aldus onjuiste opvattingen en is het rusten in nirvana tenslotte bereikt. Alle Boeddha’s van alle tijden zijn door in prajna-paramita te verblijven volledig ontwaakt tot volkomen
verlichting.
Daarom, zou je de grote mantra van prajna-paramita moeten kennen, de
mantra van groot inzicht, de volkomen mantra, de onvergelijkbare mantra, die alle lijden tot rust brengt, die waar is en niet op bedrog berust. Op grond van prajna-paramita is de mantra verkondigd, die luidt aldus: gate, gate, paragate, parasamgate, bodhi, svaha!
Hiermee eindigt het Groot Prajna-paramita Hart Sutra.
(Prajnaparamita Hart soetra in vertaling van Maurice Knegtel en Nico Tydeman)
Ten vierde, wat kan ik doen?
Fuga van de dood
Zwarte melk der vroegte we drinken haar ‘s avonds
we drinken haar ‘s middags en ‘s morgens we drinken haar ‘s nachts
we drinken en drinken
we graven een graf in de lucht daarin ligt men niet krap
Een man woont in een huis die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het donkert naar Duitsland je goudblonde haar
Margarete
hij schrijft het en komt uit zijn huis en dan flitsen de sterren hij fluit zijn jachthonden samen
hij fluit zijn joden tevoorschijn laat graven een graf in de aarde
hij beveelt ons speel op nu ten dans
Zwarte melk der vroegte we drinken je ‘s nachts
we drinken je ‘s morgens en ‘s middags we drinken je ‘s avonds
we drinken en drinken
Een man woont in huis die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het donkert naar Duitsland je goudblonde haar
Margarete
Je asgrauwe haar Sulamiet we graven een graf in de lucht daarin ligt men niet krap
Hij roept steek dieper de grond in jullie en jullie daar speel op en zing
hij grijpt naar het staal aan zijn riem hij zwaait het zijn ogen zijn blauw
steek dieper de spaden jullie en daar speel verder ten dans
Zwarte melk der vroegte we drinken je ‘s nachts
we drinken je ‘s middags en ‘s morgens we drinken je ‘s avonds
we drinken en drinken
een man woont in huis je goudblonde haar Margarete
je asgrauwe haar Sulamiet hij speelt met de slangen
Hij roept speel zoeter de dood de dood is een meester uit Duitsland
hij roept strijk donkerder snaren dan stijg je als rook in de lucht
dan heb je een graf in de wolken daarin ligt men niet krap
Zwarte melk der vroegte we drinken je ‘s nachts
we drinken je ‘s middags de dood is een meester uit Duitsland
we drinken je ‘s avonds en ‘s morgens we drinken en drinken
de dood is een meester uit Duitsland zijn oog het is blauw
hij raakt je met een kogel van lood haarscherp raakt hij jou
een man woont in huis je goudblonde haar Margarete
hij hitst zijn honden tegen ons op hij schenkt ons een graf in de lucht
hij speelt met de slangen en mijmert de dood is een meester uit Duitsland
je goudblonde haar Margarete
je asgrauwe haar Sulamiet
Paul Celan (1920 – 1970, Todesfuge uit 1945)
